Mevrouw Piri,

We moeten het even over mij hebben.

Als ik een nieuw paspoort ga aanvragen op het gemeentehuis van De Fryske Marren en ik mag bij het apparaat waarmee de ambtenaar van de burgerlijke stand mijn lengte noteert eerst op een bierkratje van 25 centimeter hoog gaan staan, ben ik 2.02 meter lang.

Toch ben ik klein.

Als ik niet wekelijks onder de douche de Gillette Venus Breeze over mijn schedel zou trekken, zou aan de zij- en achterkant van mijn hoofd enige bedekking in de vorm van haar groeien.

Toch ben ik kaal.

Als ik mijn buikspieren stevig aanspan en u bekijkt mij op dat moment van de zijkant, zou u denken: nou, die is nog aardig slank voor zijn leeftijd.

Toch ben ik dik.

Als ik komende zomer op een terras in Woudsend declameer: “Bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries” op het moment dat u daar met uw D66-gabbertje Tjeerd de Groot toevallig langs loopt, gelooft u meteen dat ik een échte Fries ben.

Toch ben ik een Rotterdammer.

Als ik op dat moment niet herkend word door mijn op straat altijd angstig om zich heen kijkende streekgenoot Tjeerd de Groot, komt dat omdat ik voor het eerst in 47 jaar durf te experimenteren met contactlenzen.

Toch ben ik een brillenjood.

Samengevat ben ik dus een kleine, kale, dikke, Rotterdamse brillenjood.

Maar ik ben geen antisemiet.

Dat kunnen we van u niet zeggen…

Groet,

JanD

PS. Cadeautje. U mag er zelf eentje uitkiezen!