‘Wier’ heette ‘waterstruiken’.

Een ‘kolblei’ een ‘bliekie’.

‘Maden’ ‘maaien’.

Een ‘worm’ een ‘wurmpie’.

‘Vislijn’ ‘touw’.

‘Onderlijn’ een ‘touwtje’.

Een ‘haakie’ heb een ‘oogie’.

“En die twee handen zitten er niet voor de lol op. Al is er gelukkig meer in het leven dan werken: vissen. Het heet ‘vissen’, want als je altijd wat ving, heette het wel ‘vangen’.”

Het lukte mijn vader niet zijn liefde voor het vissen voor altijd op mij over te dragen. Ik ving, wegens hekel aan die slijmlucht aan mijn handen, liever niks.

Maar zijn oudste kleinzoon, die kreeg hij verslaafd.

Missie toch nog volbracht.

Meer van dit? Er is ook een boekje van.