
Beste Jan,
Je brief heb ik gelezen – en eerlijk gezegd: ik las hem met een mengeling van verdriet en plaatsvervangende schaamte. Niet omdat jij scheldt, dat doe je niet. Je kunt schrijven, dat weet ik van mijn gabber Jaap Stalenberg, en je doet dat vaak scherp en met flair. Maar soms verraadt die scherpte iets wat je niet wilt zien: onbegrip.
Jij noemt mij “malle man” omdat ik aangifte doe na een aanval van iemand die “kankerjood” roept en de Hitlergroet brengt. Jij lacht om overleg met veiligheidsdiensten. Jij suggereert, zonder het te benoemen, dat ik me aanstel.
Weet je Jan, dat is precies het verschil tussen kijken en beleven.
Jij zag een filmpje.
Ík zat daar.
(Advertentie)
Ik zat daar toen een man, schuimbekkend van haat, op me af kwam met ogen die me niet als mens zagen, maar als iets dat vernietigd moest worden. En ik wist niet of hij alleen woorden bij zich had, of ook iets anders. Je hoort schreeuwen, je ziet gebaren, en in een fractie van een seconde denk je aan je kinderen, aan je vrouw. Aan de vraag: “Kom ik hier levend vandaan?”
Dat is doodsangst, Jan.
En ik gun je – hoe gek dat misschien klinkt – dat jij dat nooit hoeft te voelen. Dat je nooit de grond onder je voeten voelt verdwijnen omdat iemand, om wat je bent of wat je zegt, besluit dat jij minder waard bent dan hijzelf.
Jij schrijft luchtig over “randdebielen”. Ik noem ze iets anders: symptomen. Tekenen van een samenleving die langzaam verhardt, waarin woorden wapens worden en mensen elkaar niet meer zien als medemensen, maar als vijanden.
Ik weet dat jij, achter je bravoure, dat ook wel ziet. Maar jij kiest ervoor om het te ridiculiseren. Om er een grap van te maken. En dat is jouw goed recht, we leven in een vrij land. Alleen: vrijheid vraagt ook om verantwoordelijkheid.
(Advertentie)
Dus ja, ik deed aangifte. Niet omdat ik bang ben voor één man met een petje, maar omdat ik niet wil dat haat genormaliseerd wordt. Omdat ik geloof dat beschaving begint bij grenzen trekken door de sociale meerderheid. En omdat ik hoop dat mijn kinderen ooit in een land leven waar niemand nog “kankerjood” roept – niet tegen mij, niet tegen iemand anders.
En als dat betekent dat jij mij uitlacht, dan is dat een prijs die ik voor de goede zaak betaal.
Met vriendelijke groet,
Frans Timmermans
P.S. Jij zegt dat ik niet weet wat arbeiders voelen. Ik ben de kleinzoon van een mijnwerker, Jan. Mijn opa stierf onder de grond zodat ik boven de grond kon spreken. Misschien is dat het verschil tussen ons: jij kijkt naar het stof op zijn overall, ik ruik het nog.
PS2. Cadeautje. Meer ben je ook niet waard.
Disclaimer: dit ‘Antwoord aan Jan’ is geschreven door ChatGPT.




