
Mevrouw Dijkstra,
U bent minister.
Oké, invallend minister.
Oké, demissionair minister.
Maar… minister.
Ik hoorde u gisteravond in het Kamerdebat over de Pandemiewet.
(Advertentie)
En ik citeer:
“Ik eh… ik denk dat het heel erg belangrijk is dat we hier ook vaststellen dat eh… eh… het resultaat eh… dat we dat ook meteen aan de Kamer toe zullen sturen en dan is het echt aan eh… het volgende kabinet. Ehm… eh… hoe je het ook wendt of keert eh… om daar vervolgens mee aan de slag te gaan. En ook daar de Kamer in mee te nemen als het gaat om ehm… eh… wat is de uitwerking en hoe wordt de Kamer daarin meegenomen en wat vindt het kabinet ervan? En waarbij ik mag hopen dat ook daar ehm… eh… het belang wordt gezien van eh… een pandemieverdrag waardoor de samenwerking goed wordt geregeld, maar ehm… eh… de globale samen… de internationale samenwerking, maar ik vind het ook wel belangrijk om dan eh… vast te stellen… Ik probeer even ehm… eh… eh… ehm… Ik denk dat eh… ik eh… graag wil toezeggen dat ik dat eindresultaat, wat ik al zei… aan uw Kamer toestuur.”
(Advertentie)
En dat allemaal opgelezen van een spiekbriefje én (vanaf de veertiende ‘eh’) uw telefoon.
Eén ehm… eh… vraag eh… aan eh… u.
Hoe vindt u zelf dat het gaat?
Groet,
JanD
PS. Cadeautje. Een soortgenoot van u!
PS2. In de nieuwe ‘Nare Jongens Podcast’ (afl. 168) hadden Paternotte (de goeie) en ik het over andere ‘malle meiden’.


